Lisseweegsesteenweg 12, Zeebrugge
Nederlands:
illustraties
/ geschiedenis
/
perstekst
Français
............ English
............ Deutsch
............ Italiano
............ Españo
Indien U nog over foto's van Carcoke beschikt,
zend ze ons dan, opdat wij ze hier kunnen reproduceren.
Foto's over de site vind je ook op de website van onze Duitse collega
Harald Finster: http://www.hfinster.de/StahlArt/MinesCokeplants.Belgium.ZeebruggeCarcoke_main.html
en http://www.stahlseite.de/zee.htm
Een afbeelding van de watertoren (1928) op: http://membres.lycos.fr/jgoffin/Provinces/Flandreoc/Pages/zeebrugge3.htm
Photographic reports also available at the above mentioned webpages
De cokesfabriek van Zeebrugge is een uitzonderlijke getuige van
de 20ste eeuwse industriële ontwikkeling in Vlaanderen
(klik hier voor de geschiedenis van de
site). Hier staan de laatste cokesovens van ons
België, hier staat één van de laatste gastanks van
België. De fabriek werd in 1996 definitief gesloten, en werd
onlangs door de Vlaamse Overheid verworven - niet met de bedoeling
representatieve gebouwen en erfgoed te bewaren voor de toekomst, maar
wel om de site te slopen, te saneren en de gronden en nieuwe en
rendabele herbestemming te geven.
De Vlaamse Vereniging voor
Industriële Archeologie heeft daarom op 18 juli
een perscommuniqué verspreid (klik
hier voor deze perstekst) waarin aandacht gevraagd wordt voor
het historisch en monumentaal belang van deze site. De site werd nog
onvoldoende bestudeerd, maar in 1999 kon tijdens een plaatsbezoek het
bijzondere belang van een reeks gebouwen en installaties
geconstateerd worden.
Vandaar dat wij ook pleiten voor grondig onderzoek van de site (zowel
archiefonderzoek als onderzoek en inventarisatie van de gebouwen en
installaties.
U kunt helpen om deze site - of onderdelen
daarvan - te redden.
Schrijf een brief waarin U het belang van de site benadrukt en waarin
U pleit voor het behoud van de site, aan:
Op 21 april 1900 ondertekende die Moselhütte
Aktiengesellschaft en de Compagnie des Installations Maritimes
een overeenkomst, waarbij een stuk grond van 360 bij 370 m,
gelegen aan het in aanbouw zijnde Boudewijnkanaal, verkocht werd aan
de Moselhütte AG. Deze wilde hierop een moderne
cokesfabriek bouwen.
In welke mate deze vennootschap banden had met de groep Solvay is
niet geweten. In het Brugse stadsarchief berust een bouwvergunning
voor de Usine des fours à Cokes de Zeebruges, die op
24 augustus 1900 verleend werd aan de gebroeders Solvay &
Cie. De bijgevoegde plannen werden getekend door architect
René Buyck (vanaf 1878 provinciaal architect, ontwerper van de
kerken van Zeebrugge en Beernem, en samen met Delacenserie ontwerper
van het Provinciaal Hof en het postgebouw op de Markt in Brugge).
Korte tijd nadien, eveneens in 1900, werden aanSolvay nog
bouwvergunningen verleend voor 4 batteries de 32 fours,
bâtiment pour extraction à gaz avec moteurs
électriques, tour à charbon broyé, evenals
een atelier en een sulfaatgebouw. Een vraag tot vergroting van de
bestaande opslagplaatsen werd in 1905 echter ingediend door de
Moselhütte AG.
Op 16 september 1905 werd het terrein doorverkocht aan de Rombacher Hüttenwerke die in Mülhofen in Elzas-Lotharingen een viertal hoogovens uitbaatte. De productiecapaciteit bedroeg op dat ogenblik 150.000 ton cokes per jaar. Deze werden vervaardigd uit ingevoerde (vooral Engelse) steenkool, en uitgevoerd naar Duitsland. De Rombacher Hüttenwerke kreeg in 1908 vergunning voor het bouwen van een woning voor een meestergast, een kantoor en een cokessorteergebouw.
Na de eerste wereldoorlog werd de cokesfabriek, als Duits bezit, onder sequester geplaatst en kwam ze in handen van de s.a. Solvay- - Piette. Ook de naam werd veranderd in Fours à Coke de Zeebruges. In 1920 sloot de vennootschap contracten af voor levering van cokes aan de Société Lorraine des Aciéries de Rombas (opvolger van de Rombacher Hüttenwerke...) en met de S.A. d'Ougrée-Marihaye.
De eerste cokesbatterijen waren in 1927 versleten en technisch voorbijgestreefd. In 1828 werd daarom beslist om een volledig nieuwe installaties te bouwen. De investeringen voor vijftig nieuwe cokesovens werden geleverd door de S.A. des Hauts Fournaux de la Chiers (Longwy), de S.A. d'Ougrée-Marihaye en de Société Lorraine des Aciéries de Rombas. De nieuwe installaties werden in 1930 in dienst genomen. In de jaren 1930 werd op het terrein van de cokesfabriek ook een electrische centrale gebouwd die zowel aan de fabriek als aan het net leverde. Ook bouwde de firma Desclée De Brouwer er gasretorten, waar 'watergas' geproduceerd werd d.m.v. cokes en stroom.
Tijdens de tweede wereldoorlog werd de fabriek verschillende malen gebombardeerd, maar reeds op 2 november 1945 was alle schade hersteld en kon de productie hervat worden.
In 1956 werden er nog 25 nieuwe ovens (van een nieuwer type) bijgebouwd, en in 1959 nog een 35. De oude ovens werden stilgelegd. Toen in 1968 België integraal op aardgas overschakelde levrde dit zware problemen op - want de cokesfabriek kon haar steenkoolgas niet meer aan het net kwijt. Gelukkig kon een leveringscontract afgesloten worden met de elektrische centrale van Slijkens, en vanaf 1975 met de bedrijfs-elektrische centrale van UCB te Zandvoorde. In 1975 werd de Cokesfabriek van Zeebrugge gefusioneerd met de cokesfabrieken van Marly (Vilvoorde, gesloopt) en van de Carbonisation Tertre, en kreeg het bedrijf zijn nieuwe naam 'Carcoke afd. Zeebrugge' (Carcoke= Société Carolorégienne de Cokéfaction), met als grootste aandeelhouder Cockerill Sambre.
In 1996 werd de cokesfabriek definitief gesloten.
Op donderdag 18.07.2002 verspreidde de Vlaamse Vereniging voor
Industriële Archeologie het hiernavolgend persbericht:
|
Carcoke Zeebrugge boeiend industrieel erfgoed met veel mogelijkheden - zijn milieu en erfgoed te verzoenen ? De Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie
vzw - platformorganisatie voor studie en behoud van
industrieel en technisch erfgoed in Vlaanderen - verneemt
dat de Vlaamse overheid een overeenkomst bereikt heeft met
de eigenaar van de voormalige cokesfabriek van Zeebrugge
voor de sanering van deze terreinen (zie onderstaand
bericht). De Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie vraagt aandacht voor de historische waarden van deze site en van een reeks gebouwen die zich op het terrein bevinden. In de loop van 1999 bezochten vertegenwoordigers van de VVIA, samen met ambtenaren van de provincie West-Vlaanderen en van de stad Brugge meermaals de site - en bestond overeenstemming over de waarde van het geheel en over de noodzaak om een erfgoedgerichte herbestemming te overwegen. Door vertegenwoordigers van de provincie West-Vlaanderen werd toen een initiatief aangekondigd - waar tot op heden (in het door de Verenigde Naties uitgeroepen 'Jaar van het Cultureel Erfgoed', 2002) nog steeds op gewacht wordt. Ook op de in 1999 in het vooruitzicht gestelde samenstelling van een werkcomité dat deze problematiek zou behandelen wordt nog steeds gewacht. De oorspronkelijke vergunning voor oprichting van deze cokesfabriek werd op 24 augustus 1900 verleend. De plannen - en tal van latere plannen - werden getekend door de (zeker niet onbekende) architect René Buyck. De eerste schepen die indertijd door de zeesluis van Zeebrugge kwamen vervoerden steenkool voor deze cokesfabriek. In 1929 werden nieuwe ovens gebouwd (hersteld en terug in dienst genomen in december 1945). In 1956 en 1959 werden respectievelijk 25 en 35 ovens bijgebouwd. De oude ovens van 1929 werden in 1959 stilgelegd. Op het terrein bevinden zich zeer representatieve en vrij unieke cokes-ovens van verschillende generaties, een schitterend bureelgebouw, indrukwekkende opslagplaatsen en één van de laatste metalen gastanks die Vlaanderen nog bezit. De site bezit - zoals ook gesteld in een ambtelijk verslag (28.04.1999) dat onze vereniging bereikte - een grote zeldzaamheidswaarde (al de andere cokesfabrieken in België zijn intussen verdwenen) en kunnen - net zoals in Duitsland, zie verder - basis vormen voor een toeristische en natuur-ontwikkeling. In elk geval, zoals ook medewerkers van de stad Brugge indertijd stelden "De fabriek is een ongemeen boeiende getuige van honderd jaar sociaal-economische geschiedenis van Brugge". De meeste van de bestaande gebouwen komen voor herbestemming in aanmerking, en kunnen in het gebied een belangrijke toeristische meerwaarde bieden - naast de ontegensprekelijke erfgoedwaarde van de site. Wat de mogelijkheden van dergelijke complexen zijn wordt op een schitterende wijze getoond in Duitsland (IBA Emscher Park). De Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie vzw gaat er uiteraard mee akkoord dat deze site in Zeebrugge gesaneerd wordt, doch is van oordeel dat zulks - net zoals in het buitenland op tal van plekken gebeurt - rekening moet houden met de waarde van het aanwezige erfgoed. Het is opvallend dat in Duitsland - met zijn bijzonder strenge milieunormen - twee cokesfabrieken behouden en zelfs als cultuurtoeristische attractiepool ontsloten worden. Eén daarvan (Zollverein) werd samen met het bijbehorend mijncomplex in 2001 ingeschreven op de Unesco-lijst van het Werelderfgoed (waar ook onze begijnhoven, belforten en de binnenstad van Brugge op voorkomen). Het zou ons ten zeerste verwonderen indien de Vlaamse Overheid met buitenlandse voorbeelden voor ogen, gezien haar inzet voor het behoud en ontsluiting van erfgoed, en in het "Jaar van het Cultureel Erfgoed" erfgoedbehoud en milieu niet met mekaar zou kunnen verzoenen. De Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie vraagt daarom aan de Vlaamse Overheid om minstens een deskundig verslag te laten opstellen over de erfgoedwaarde van deze site en zijn onderdelen, en om binnen de saneringsplannen ook aandacht te besteden aan de erfgoedplanning ("heritage resource planning") voor dit complex. Het zou o.i. totaal onverantwoord zijn om - gezien de reeds gekende gegevens - "sanering" gelijk te stellen met "sloping", zonder dat alle alternatieven voor erfgoedbehoud minstens onderzocht werden. De in Duitsland gebruikte methodiek kan hiervoor een basis en uitgangspunt bieden. Over beide Duitse cokesfabrieken, nl. de Kokerei Hansa en de Kokerei Zollverein, vindt U informatie op volgende internet-adressen
Daarnaast
Over de opname in de UNESCO-lijst van de Zollverein-mijn en -cokesfabriek
Kopie van de persmededeling verspreid door de Vlaamse Regering Vlaams minister van leefmilieu en landbouw Vera Dua heeft een akkoord bereikt met Wallonië en Brussel in de Carcoke-zaak. Door dit akkoord kan aan de sanering van de Carcoke-terreinen in Zeebrugge begonnen worden. De NV Carcoke baatte in ons land drie cokesfabrieken uit in Brussel, Zeebrugge en Tertre. In 1999 is het bedrijf in vereffening gegaan. De drie terreinen liggen er nu zwaar vervuild bij. Een schuldige zoeken is niet zo eenvoudig, omdat de vervuiling al ingetreden is nog voor er van milieuwetgeving sprake was. Bovendien lopen de kosten van de sanering hoger op dan de waarde van de terreinen. Vandaar werd met de vereffenaar van de NV Carcoke een overeenkomst bereikt dat de drie gewesten de terreinen krijgen voor één symbolische euro. Ze moeten wel zelf de sanering betalen. Bovendien zal de 10 miljoen euro die Carcoke nog in kas heeft, verdeeld worden onder Vlaanderen en Wallonië. Het Brusselse Gewest heeft geen recht op dit geld omdat het terrein in Neder-Over-Heembeek meer waard is dan de terreinen in Vlaanderen en Wallonië. Vlaanderen en Brussel krijgen vooraf ook nog de achterstallige belastingen van Carcoke uitbetaald, het gaat om respectievelijk 750.000 en 300.000 euro. Het terrein in Zeebrugge ligt in het havengebied en is ongeveer 15 hectare groot. De waarde van het terrein werd geschat op 3,1 meuro of 128 miljoen frank. De Vlaamse afvalstoffenmaatschappij OVAM wordt eigenaar van de gronden en kan die na ambtshalve sanering opnieuw verkopen. De saneringskosten worden geraamd op 27,5 meuro (1,1 miljard frank) tot 36,1 meuro (1,4 miljard frank) naar gelang de gekozen saneringsvariant. De terreinen in Zeebrugge zijn vooral vervuild met zware metalen |
English
Français - pas encore disponible